Het nadeel van waterstofauto’s

Toyota lanceerde een tijdje terug de nieuwe Mirai-brandstofcelauto en hij is zó veel beter dan de vorige. Toch zal hij voor ons net zo irrelevant blijven. Waterstof kost per kilometer ongeveer hetzelfde als benzine en er zijn in Nederland maar vijf stations waar je het kunt tanken. Maar goed, in sommige landen is het wel goedkoper, wordt het redelijk duurzaam geproduceerd en zijn er voldoende stations. Daar heeft de Mirai zowel uit milieu- als uit financieel oogpunt nut. En Toyota heeft de prijs laten zakken naar het niveau van elektrische auto’s met batterijen.

Waterstof is lang de toekomst geweest

Een decennium geleden zeiden futurologen dat elektrische auto’s nooit lange afstanden zouden kunnen rijden en dus alleen goed voor forensenverkeer zouden zijn. We dachten dat brandstofcelauto’s, die je immers snel kunt voltanken, geschikter zouden zijn voor langere reizen. Toen kwamen er EV’s met grote batterijen en een bereik van dik 400 kilometer. Leuk, zeiden de brandstofcel-cheerleaders, maar het duurt lang om die op te laden en de accu’s kosten een klein vermogen. Maar geen van die dingen klopt tegenwoordig nog.

Het grote nadeel van waterstofauto’s

Waterstofauto’s blijven opgezadeld met een ander groot nadeel: hun efficiëntie. Neem 1 kWh aan elektriciteit (liefst groen natuurlijk), stop dat in een EV en je komt er ongeveer 5 à 6 kilometer ver mee. Stop diezelfde 1 kWh in een elektrolyser om waterstof van water te maken, doe die waterstof in de brandstofcelauto en je komt ongeveer 1,5 kilometer ver.

En dus hangt de toekomst van waterstofauto’s ook vooral af van het antwoord op de vraag: waar en wanneer hebben we genoeg energie beschikbaar? Waterstof is relatief eenvoudig te bewaren en kan ook dienen als buffer voor de energievoorziening. De enige praktische manier om elektriciteit op te slaan, is in batterijen, en daar hebben we er nu al te weinig van.

Misschien oude boorplatforms?

Het kost wat fantasie, maar je zou overbodige boorplatforms op de Noordzee kunnen ombouwen tot door zeewind aangedreven elektrolysefabrieken, die hun waterstof naar de kust pompen. Je zou woestijnen vol kunnen zetten met zonnepanelen en/of windmolens, daar waterstof maken en die via schepen kunnen transporteren. Lange-afstandstransport van waterstof is goedkoper dan lange-afstandstransport van stroom.

Toch zijn er weinig waterstoftankstations. Waarom je er meer zou moeten bouwen? Voor vrachtwagens. Vrachtwagens zijn eindeloos veel geschikter voor waterstof dan voor accu’s, en als er een paar trucks per dag stoppen om waterstof te tanken, wordt een station al rendabeler. En dan is het er alvast voor als er ook meer personenauto’s op waterstof komen.

Een combinatie van de twee

Waterstofauto’s zullen de wereld niet overnemen. Maar EV’s waarschijnlijk ook niet, vanwege de beperkte hoeveelheid grondstoffen voor accu’s en de krapte aan echte groene stroom. We zullen ze dus beide moeten blijven ontwikkelen. En als we dan ook nog eFuels hebben om het gigantische bestaande brandstofwagenpark aan te drijven, komen we een heel eind.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *